e tanti panni tesi nantu,
un acellu piglia lu so volu
è aghju lu mio core frantu.
Culà l'occhji spenti Miola sunieghja
culà u mio estru corre è a fideghja
culà ci s'hè firmata la mio vita.
Vecu un pagliaghju fumichendu
compulu à l'ora di a munta
è a mio memoria s'accende
per un pizzacciu di pane untu.
Culà Francesc'Antone zappa l'ortu
culà vecu ballà e barche in portu
culà ci s'hè firmata la mio vita.
Vecu una scola è un tavulone
sentu mughjà mille zitelli
è di babbo tante canzone
mi danu lu fretu à a pella.
Culà Fasgianu trascina duie legne
culà sentu lu mio paese pienghje
culà ci s'hè firmata la mio vita.
Vecu una ghjesgia sott'à l'nvernu
dui tizzoni è un casgile
a piaghja cutrata è inferma
chì aspetta lu mese d'aprile
culà sentu u ventu trà i pini
culà di Roccu sentu u viulinu
culà s'hè firmata la mio vita
Vecu un chjarasgione fiuritu
è sentu fiscià pastori
è tanti mumenti felici
l'aghju inchjudati in lu mio core
culà vecu a neve per i chjassi
culà sempre voltanu i me passi
culà ci s'hè firmatu a mio vita
I Chjami Aghjalesi,
Ik zie een zonovergoten weiland
waar de was ligt te bleken
een vogel vliegt op
en mijn hart breekt
Met doffe ogen staat Miola te dromen
daarginds zwerft mijn ziel en kijkt naar haar
daarginds bleef mijn leven achter
Ik zie een herdershut, de schoorsteen rookt
de kudde bijeen op melkenstijd
en vurig verlangt mijn geest
naar een stom stukje brood met olie
Daarginds spit Francesc'Antone zijn tuintje
daarginds zie ik de bootjes dansen in de haven
daarginds bleef mijn leven achter
Ik zie een school en een schoolbord
en hoor het gejoel van honderden kinderen
en de oude liedjes van opa
geven me koude rillingen.
Daargids sleept Fasgianu met wat hout
Daarginds hoor ik mijn dorp huilen
daarginds bleef mijn leven achter
Ik zie een kerk die zucht onder de winter
twee blokken hout en de kaaskelder
de vlakte, die bevroren en verzwakt
wacht tot het weer april wordt
daarginds hoor ik de wind tussen de pijnbomen
daarginds hoor ik de viool van Roccu
daarginds bleef mijn leven achter
Ik zie een grote kersenboom in bloei
en ik hoor de herders fluiten
en zoveel gelukkige momenten
liggen besloten in mijn hart
daarginds zie ik de sneeuw op de paden
naar ginds keren steeds mijn passen terug
daarginds bleef mijn leven achter
De dromen, heimwee en wanhoop van een Corsicaanse soldaat in de loopgraven tijdens de Eerste Wereldoorlog...
In de Eerste Wereldoorlog worden de Corsicanen door de Fransen ingezet in het 173ste (le régiment des Corses) en in nog een aantal andere regimenten, met dien verstande dat de Corsicanen veel langer aan het front moeten blijven en veel minder verlof krijgen dan de Franse soldaten. Bovendien moeten ook de hoofden van grote gezinnen het leger in, terwijl die op het continent worden vrijgesteld. Ook jongens van zestien en soms jonger en mannen van boven de zeventig worden naar het front gestuurd. Na de oorlog blijft Corsica gewond, ontvolkt en ontredderd achter. Ruin 11.400 mannen hebben de oorlog niet overleefd (Enciclopedia di a Corsica: Les Poilus Corses de 14-18)
De economie ligt plat, het land wordt niet meer bebouwd, in vrijwel ieder dorp zijn, getuige de oorlogsmonumenten, talloze mannen niet teruggekeerd. Veel mensen zien geen andere mogelijkheid dan te vertrekken naar het vasteland of naar de koloniën, waardoor de bevolking nog verder uitdunt. Het is niet overdreven om te stellen dat het eiland in zekere zin nog steeds niet is hersteld van de wonden die destijds zijn geslagen, zowel fysiek als mentaal... De gevolgen waren in ieder geval tot ver na de tweede wereldoorlog nog zichtbaar en tastbaar. Marcu Biancarelli (Guerra civili, in Avali2009 / Guerre civile, in Vae Victis, Materia Scritta 2010) legt zelfs een direct verband tussen de oorlog en de revolte van de jaren zeventig en tachtig, en dan niet uit demografisch oogpunt maar veeleer vanuit een psychologische benadering. Zijn meest recente roman (meesterwerk...) Murtoriu is gebaseerd op ditzelfde thema.
(...) Het lijkt wel of hij een soort geestverschijning ziet, die gedoemd is hier een eenzaam en vervloekt bestaan te lijden tussen armzalige verlaten huisjes en stomende rotsblokken. Hij ziet deze plek zonder toekomst, hij ziet de woestijn, hij ziet de vlaktes die werden belaagd door muggen en ziekte, en hij hoort het kanongebulder, alweer, hij ziet de mannen de aanval openen, hij ziet de krankzinnige wanhoop op hun gezichten, hij ziet hoe het bloed aan alle kanten rondspuit, en hij ziet zichzelf, bloedhond, met het schuim op de lippen en uitpuilende ogen bajonetstoten uitdelen, in het rond steken en moorden, en hij hoort het gejammer van het lijden, het geschreeuw van de waanzin op het slagveld. En in de verte, ginds in het dal, hoort hij het luiden van de doodsklok. De kinderen kijken hem angstig aan. O Marcantò, gaat het wel? Hij staat op, bleek als een doek, zijn lippen trillen, zijn keel lijkt dichtgesnoerd, zijn ogen staan glazig, nog net weet hij uit te brengen: het is de hel, jongens, de hel, ze zijn allemaal dood. Hij loopt het pad op, wil vluchten, de kinderen roepen hem na. Waar ga je heen o Marcantò? Waar ga je nou heen? Hij staat stil en keert zich om. Hij bekijkt ze of het twee schimmen zijn die op het punt staan te verdwijnen. Hij zoekt naar woorden. Hij stamelt wat, maar hoort zijn eigen woorden amper. Zeg maar dat ik weg ben. Zeg maar dat ik ga. Nu. Ver van hier. Zoen degenen die ik nog over heb. Ik ben weg. Hij keert ze de rug toe en ze zien hem verdwijnen, met gebogen hoofd loopt hij het pad af.
Marcu Biancarelli (1968) Murtoriu o a baddata di Mansuetu(Doodsklok ofwel de ballade van Mansuetu), Albiana 2009
De wanhoop te openbaren van die verborgen tranen
Wanneer je je niet langer kunt beheersen
Geconfronteerd met de leegte van het ontstane duister
En je wat wegdommelt zonder veel dromen
Datgeen te openbaren dat schreeuwt in je bewustzijn
De herinnering aan schepen, verstoken van wind
Veroordeeld voor altijd tot verheven penitentie
Verbannen voor eeuwig zonder hoop op de lente
De treurnis te openbaren van zoveel gesloten deuren
Eens wijd opengegooid om de stilte te doorbreken
En de drukkende zwaarte van die mistige morgen
Waarop je voor altijd afscheid moet nemen
Die reis te openbaren, tijdens het ochtendgloren
Overladen met zuchten en zwijgende instemming
Waneer in je hoofd de warme verzen zingen
Bosjes woorden die voortkomen uit je talent
Voor jou, o aarde, heilig in ons geheugen
Mijn gevoelens te openbaren en de ongehoorde vreugde
Vol te zijn van jou, uit je historie voortgekomen
En dan vol vertrouwen in je voetspoor te treden
Een geweldige video waarin Olivier Ancey in het begin iets vertelt over een gedicht dat door zijn oudoom, Ghjuvan Pasquinu Acquaviva werd geschreven.
Dat begin spreekt mij zeer aan, omdat ik in het gebied dat hij beschrijft nog niet zo lang geleden zélf heb rondgelopen! Het is een gedeelte van een veel langer gedicht, "Da Piana à l'Isula Rossa", waarvan ook de zes regels van de Paghjella op het album Intantu van A Filetta deel uitmaken:
À manu dritta ci hè Guegnu / Rechts zie je Guegnu,
di Monte Cintu figliolu / zoon van Monte Cintu,
chì ci sparghje u so regnu / wiens rijk zich uitstrekt
da Calinzana à Niolu / van Calinzana tot de Niolu
Ci corre pè li so monti / En over haar bergen zwerft
a musa di Pampasgiolu / de muse van Pampasgiolu
Dit staat op de CD vermeld als "traditionnel", maar is wel degelijk uit de pen van oom Ghjuvan Pasquinu afkomstig. Diezelfde oom schreef (op zijn zeventiende!) A canzona di a malata (ook te vinden op Intantu, 2002)
Da L'Algaghjola à Curbara / Van Algaghjola naar Curbara
è da Curbara à Palmentu / En van Curbara naar Palmentu
una piana eppo una sarra / Een vlakte en dan een bergketen
Duv'è ci canta ogni ventu / Waar de wind vrijuit zingt
Cù Sant'Antoninu sopra / Met daarboven Sant'Antoninu
Chì tocca u firmamentu. / Dat de hemel aanraakt.
È sott'à stu firmamentu, / En onder die hemel,
D'i pedi nentru à rena, / met haar voeten in het zand,
Da u curallu à l'argentu / Tussen het koraal en het zilver
Una fata si prumena / Wandelt een fee
Si chjama L'Isula Rossa / Ze Heet L'Isula Rossa
Chì vi piglia è v'incatena / Zij grijpt en ketent je.
Verder in de video de prachtige chjama è rispondi tussen Olivier Ancey, Charly Oruscci en Roccu Mambrini (wiens bijnaam luidt "U Rusignolu di Zilia", de nachtegaal van Zilia), er wordt uitgebreid toegelicht hoe het er aan toe gaat, en er wordt gezongen, véél gezongen. Ik heb Olivier ooit in het echt horen improviseren, en hij is echt geweldig. Ook hier, met de ouwe rotten (Olivier is naar verhouding jong in het CR-gebeuren) gebeurt iets magisch! Binnenkort een transcriptie en vertaling van een stukje van de uitwisseling.
Ik kan niet nalaten hier ook te wijzen op de onlangs verschenen (eerste!) dichtbundel van Olivier Ancey: Tarra Matre, in de collectie Veranu di i pueti bij uitgeverij Albiana.
De gewelddadige geschiedenis van Corsica heeft talloze dichters geïnspireerd. Hier een gedicht van Jean-Yves Acquaviva. Hij woont en werkt in een dorpje in de Niolu en schrijft behalve prachtige gedichten ook romands en korte verhalen. In 2011 verschenen van zijn hand zowel de roman "Ombre di guerra" als de dichtbundel "Tandu scrivu". Veel uit die bundel is ook te lezen op zijn gelijknamige blog.
L’isula sola, Vitalba
O quantu vuleria scrive chì a mio storia hè di pace
Chì l’albori ch’aghju vistu si sò pisati sereni
Ma à empie a mio mente sò centu mila e strage
È di fiure sanguinose i mio ricordi sò pieni
Aghju vistu tantu volte u mio mondu piccià focu
Per una croce, un spechju o per un palmu di terra
Per una fede, un’idea, per u pusessu d’un locu
L’omi move e battaglie, l’omi dà si à a Guerra
Eiu sò l’isula sola
Locu di tanti sicreti
Un’isulella di fola
Musa di tanti pueti
Sò un’isula sulella
Mi chjamanu a più bella
Aghju vistu à l’orisonte ghjungne tanti battilloni
È i sullati à millaie calpighjà e mio marine
Aghju in core e vinice di ‘ssi tempi bughjiconi
È piengu à fiumi pieni e mio pene senza fine
Da sempre sò stata eiu ogettu di ogni imbliglia
Quella chì omu vulia cumprà, vende o cunquistà
Quella stella ch’in lu celu di più c’à l’altre spampiglia
È c’ ognunu vuleria di e so mani tuccà
Eiu sò l’isula sola
Locu di tanti sicreti
Un’isulella di fola
Musa di tanti pueti
Sò un’isula sulella
Mi chjamanu a più bella
Ma vogliu sperà e crede in un dumane sfarente
Sunnià di l’ore à vene cum’è di tant’allegrie
Vede e so albe chjare è di pace splendurente
Pisà si à l’infinita cum’è in le puesie
È vogliu dì à i mei, à i mio figlioli cari
In un cantu di sperenza, in un’ardente prighera
Di francà mi à l’ora mai di tanti ricordi amari
È di tene caru à mè di più c’à a mio bandera
Eiu sò l’isula sola
Locu di tanti sicreti
Un’isulella di fola
Musa di tanti pueti
Sò un’isula sulella
Mi chjamanu a più bella…
Het eenzame eiland
O wat zou ik graag schrijven dat mijn geschiedenis vreedzaam is
Dat ik elke zon in rust zag opkomen
Maar mijn geest vult zich met duizenden rampen
En mijn herinneringen zijn vol bloederige beelden
Zo vaak zag ik mijn wereld ontbranden Om een kruis, een spiegel, een stukje land,
Om een geloof, een idee, het bezit van een plaats Zag ik mensen gaan vechten, mensen oorlog voeren.
Ik ben het eenzame eiland
Plaats van talloze geheimen Een sprookjeseiland Muze van zovele dichters Ik ben een eiland op mijn eentje Ze noemen me “de allermooiste”
Ik zag zoveel legers aan de horizon opdoemen En soldaten vertrapten met duizenden mijn stranden In mijn hart draag ik de littekens van die duistere tijden En in volle stromen huil ik mijn verdriet zonder einde
Altijd was ik doelwit van iedere begeerte Degene die men wilde kopen, verkopen of veroveren Die ster aan de hemel die het sterkst straalt van allen En die iedereen in zijn hand wil houden
Ik ben het eenzame eiland Plaats van talloze geheimen Een sprookjeseiland Muze van zovele dichters Ik ben een eiland op mijn eentje Ze noemen me “de allermooiste”
Maar ik wil geloven in een andere toekomst De tijden die komen dromen als even zoveel vrolijkheid En de morgenstond zien, helder en schitterend van vrede Die zich verheft in het oneindige als in de poëzie
Ik wil tegen mijn dierbaren zeggen, tegen mijn geliefde kinderen in een lied van hoop, in een vurig gebed Dat ze mij bevrijden van al die bittere herinneringen En meer van mij zullen houden dan van mijn vlag
Ik ben het eenzame eiland Plaats van zoveel geheimen Een sprookjeseiland Muze van zovele dichters Ik ben een eiland op m'n eentje Ze noemen me “de allermooiste”
Na de Franse overwinning in 1769 blijft de Corsicaanse bevolking verzet bieden. Dit wordt door de Fransen met wrede hand de kop ingedrukt. Een van de repressiemaatregelen die diepe wonden heeft nagelaten was het bloedbad van de “Impiccati di Niolu”: in het dorpje Corscia (bij Calacuccia en de Scala di Santa Reghjina) werden elf willekeurig gekozen mannen eerst gemarteld en vervolgens opgehangen. De jongste van hen was pas vijftien jaar: Marcu Maria…
Cesaru, dettu Ciccione ACQUAVIVA 36 Anni di L'aquale
Raimondu ACQUAVIVA 36 Anni di L'aquale
Antone ALBERTINI 36 Anni di Corscia
Ghjuvanni ALBERTINI 48 Anni di e Lubertacce
Marcu Maria ALBERTINI 15 Anni di Corscia
Ghjuvan Stefanu ALBERTINI 35 Anni di Corscia
Ignaziu GERONIMI 40 Anni di Bonamanacce
Ghjuseppu Maria LUCIANI 38 Anni di Sidossi
Don Ignaziu MAESTRACCI 24 Anni di Corscia
Ghjuvan Francescu MATTEI 40 Anni podestat di Corscia
Anghjulu ROMANI 24 Anni di Corscia
Riposate in pace, venerà quiddu ghjornu…… (Rust in vrede, ooit komt de dag…)
A paghjella di l'impiccati
Sè vo ghjunghjite in Niolu
Ci viderete un cunventu
Di u tempu u tagliolu
Ùn ci n'hà sguassatu pientu
Eranu una sessantina
Chjosi in pettu à u spaventu
Dopu stati straziati
Da i boia o chì macellu
Parechji funu impiccati
Ci n'era unu zitellu
L'anu tuttu sfracillatu
E'di rota è di cultellu
Oghje chì hè oghje in Corscia
Fateci casu una cria
Si pate sempre l'angoscia
Intesu dì Marcu Maria
Era quessu lu so nome
Mancu quindeci anni avia.
Ghjuvan Teramu Rocchi
Paghjella der gehangenen
Als je in de Niolu komt
Zul je daar een klooster zien
Daar heeft de tand des tijds
Het geweeklaag niet uitgewist
Ze waren met een man of zestig
Gevangen, ten prooi aan doodsangst
Nadat ze waren gemarteld
Door beulen, ach wat een bloedbad
Werd een aantal opgehangen
Onder hen was een knaap
Ze hebben hem aan flarden gereten
Zowel op het rad als met het mes
Zelfs vandaag de dag is in Corscia
Let er maar eens een beetje op,
Nog steeds de beklemming te voelen
Als men hoort zeggen “Marcu Maria”
Dat was zijn naam
Hij was amper vijftien jaar.